Naam
De betekenis van de wetenschappelijke naam is: de pootloze. Gierzwaluwen zijn geen echte zwaluwen, ze behoren tot de orde van de Apodidae (de pootlozen). Ze trekken tijdens de vlucht hun poten in voor de stroomlijn. Hun poten zijn niet zwak, ze kunnen ermee in de lucht springen. Hun naaste verwanten zijn kolibries. 'Gier' is waarschijnlijk afgeleid van het werkwoord gieren, in de betekenis van schreeuwen, gillen. Dat slaat op het snerpende geluid dat ze tijdens hun vlucht kunnen maken. Daarom noemde men hen vroeger ook wel duivelsvogels. Ook een andere betekenis van 'gieren', 'heen en weer gaan, van koers afwijken', kan van invloed zijn geweest op de naamgeving (gierzwaluwen zijn heel snel en wendbaar).
Gierzwaluw aan zijn nest © Carel van der Sanden
Uiterlijk
Mannetjes en vrouwtjes kun je niet van elkaar onderscheiden. Ze wegen gemiddeld 43 gram bij een lengte van ca. 17 cm. Hun kleur is donkerbruin met een lichte keelvlek. De vleugels hebben een spanwijdte van 40-45 cm. Ze zijn lang en sikkelvormig. In opgevouwen toestand steken ze ongeveer 3,5 cm voorbij de staart. Een gierzwaluw gebruikt zijn poten alleen in het broedseizoen. De tenen staan alle 4 naar voren. Met zijn zwarte, scherpe nagels kan hij zich aan muren en dakranden vasthaken.
Waar zijn ze te vinden?
Gierzwaluwen zijn trekvogels. Vanuit zuidelijk Afrika komen ze onder meer naar Nederland om te broeden. De vliegreis wordt vlug afgelegd, met weinig of geen rustpauzes. Bij slecht weer boven de Alpen of de Pyreneeën hangen ze in groepjes aan de rotsen. In de tweede helft van april arriveren de eerste kleine groepjes na een tocht van zo’n 7000 km. Eind april, begin mei volgen grote groepen met vooral mannetjes en een paar dagen daarna grote groepen met vrouwtjes die het vorige jaar gebroed hebben. Vanaf eind mei tot half juni komen grote groepen jonge vogels van vorig jaar en/of niet-broedende vogels aan. Begin augustus vliegen ze weer terug naar Afrika. Ze volgen dan de natte moesson om aan insecten te komen.
Steden en dorpen zijn het broedgebied van de gierzwaluw tijdens het broedseizoen. Ze nestelen van oudsher onder dakpannen van oude gebouwen en in holtes van muren. Door renovatie en stadsvernieuwing heeft de gierzwaluw steeds minder plekken om te nestelen. Door het gebruik van kunstnesten (nestkasten, neststenen en gierzwaluwdakpannen) worden ze een beetje geholpen. De broedvogels jagen in de warme bebouwde kom op insecten. De niet-broedende vogels jagen boven open gebieden zoals weilanden en stuifzanden. Ze zijn te vinden in gebieden waar ‘bevolkingsexplosies’ van insecten plaatsvinden.
Gierzwaluw © Saxifraga Foundation, Luc Hoogenstein
Geluid
Gierzwaluwen zingen niet echt maar roepen schijnbaar continu tijdens de vlucht om contact met elkaar te houden. Het is een snerpend srie-srie-srie. Aan dit kenmerkende ‘gieren’ danken ze hun naam. Daarnaast hebben ze korte, zachte lokroepjes.
Gierzwaluwen roepen ook als ze op zoek zijn naar een nestgelegenheid. Ze vliegen langs nesten en schreeuwen. Krijgt een mannetje geen antwoord van een ander mannetje, dan betrekken ze het nest. Het vrouwtje nemen ze op de koop toe. Was het mannetje toevallig even afwezig en keert hij terug naar zijn nest, dan doet dit mannetje er alles aan om de indringer uit zijn nest te verwijderen. Gierzwaluwen zijn trouw aan een nestgebied. Als ze in een jaar geen nest hebben kunnen vinden dan komen ze het jaar daarop toch terug naar hetzelfde gebied en proberen ze het weer opnieuw.
Gedrag
Gierzwaluwen doen vrijwel alles terwijl ze vliegen, behalve broeden. Ze ruien, paren, jagen en drinken in de lucht. In het laatste geval scheren ze laag over rustige wateroppervlakken met hun snavel in het water. Het overige vocht halen ze uit hun voedsel. Verder verzamelen ze al vliegend nestmateriaal dat door de lucht zweeft. Zelfs slapen doen ze in de lucht. Gierzwaluwen die geen nest hebben verzamelen zich dan op een hoogte van enkele duizenden meters en laten zich dan in een soort halfslaap meevoeren op de thermiek.
Een gierzwaluw is een snelle, wendbare vogel die in horizontale vlucht een snelheid kan bereiken van meer dan 110 km/h. In een duikvlucht gaan ze nog sneller. Geen enkele andere vogel van dit formaat kan dat evenaren. Hun natuurlijke vijanden boomvalk en slechtvalk zijn in duikvlucht een stukje sneller, resp. 240 km/h en bijna 400 km/h.
In de eerste 2 levensjaren broeden gierzwaluwen niet en zijn ze dus continu in de lucht. In deze periode leggen ze een afstand af van zo’n 500.000 km (12.5 keer rond de aarde). Gemiddeld wordt een gierzwaluw 7 jaar oud, maar er is ooit een geringd exemplaar in Zwitserland geweest van 21 jaar oud. Zij heeft in haar leven een afstand van bijna 5 miljoen kilometer afgelegd. In al die tijd had ze maar 2 partners.
Voedsel
's Zomers jagen gierzwaluwen 19 uur per dag. In die tijd kunnen ze wel 10.000 insecten vangen, zoals vliegen, bladluizen, gevleugelde mieren, spinnetjes en kevers. Bijen staan ook op het menu, maar dan alleen de darren, want die hebben geen angel. In de keelzak worden de verzamelde insecten vermengd met speeksel, waardoor een voedselbal wordt gevormd. In zo’n voedselbal kunnen wel 500 (deels nog levende) insecten zitten. Op een warme zomerdag brengen de oudervogels 35 tot 40 voedselballen naar het nest. De uitwerpselen van gierzwaluwen bestaan vooral uit de pantsers van de verteerde insecten.
Bij koud en slecht weer is er weinig voedsel en kunnen zowel de volwassen vogels als de kuikens hun stofwisseling reguleren en een lagere lichaamstemperatuur overleven. De kuikens hebben vet waarop ze 5 dagen kunnen leven. De volwassen vogels gaan dicht op elkaar zitten om warm te blijven. Het komt ook voor dat de oudervogels honderden kilometers verderop, waar de weersomstandigheden beter zijn, gaan jagen.
Uit het nest gevallen gierzwaluwjongen © Carel van der Sanden
Voortplanting
Gierzwaluwen zijn monogaam en trouw aan hun nestplaats. Keert een partner niet terug van de reis uit Afrika, dan kiezen ze een andere partner om mee te paren. Het nest is een klein kommetje, gemaakt van veertjes en grassprieten, die met speeksel aan elkaar geplakt worden. In het nest worden 2 of 3 witte eitjes van 3.5 gram gelegd. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden 19 tot 20 dagen en verzorgen daarna de jongen. Half juli vliegen de jongen uit, meestal ’s avonds in de schemering en in de vroege ochtend. Ze kunnen meteen goed vliegen. Soms vliegen ze bijna direct naar zuidelijk Afrika.